Met slechts 12 nieuwe projecten stokt de groei van warmtenetten in Vlaanderen

Terug
27.08.2026 Hoofdartikel
Van de 365-redactie
Met slechts 12 nieuwe projecten stokt de groei van warmtenetten in Vlaanderen
©ODE

De Belgische warmtenetsector is nog klein en ook de ontwikkeling van projecten vordert traag. Dat zegt Jo Neyens van Warmtenetwerk Vlaanderen. “Dat is niet wenselijk, want warmtenetten kunnen een sleutelrol spelen in de verduurzaming van warmte en de energietransitie.” Wat is dan nodig voor een versnelling? “Technologie vormt niet het probleem. De grootste knelpunten zijn financiering, er moet boter bij de vis, en de organisatie.”

Warmtenetwerk Vlaanderen ontstond in 2010 vanuit de Nederlandse Stichting Warmtenetwerk. In 2013 volgde de aansluiting bij ODE Vlaanderen, vanwege uiteenlopend overheidsbeleid. Naast belangenbehartiging, bijvoorbeeld via adviesnota’s en overleg met overheden, staan het netwerk en informatievoorziening centraal. De sectorfederatie telt zo’n negentig leden uit de hele keten: van fabrikanten en leveranciers over projectontwikkelaars en netbeheerders tot gemeenten en provincies.

Ondernemingen en gezinnen

“Dat zijn er dubbel zoveel als bij de start”, aldus Neyens. Maar dat wil niet zeggen dat warmtenetten een vlucht nemen. Hij wijst op het jaarlijkse sectorrapport van de VNR, de Vlaamse Nutsregulator. In 2025 kwamen er maar 12 warmtenetten bij, op een totaal van 103. De afnemers zijn ongeveer gelijk verdeeld: een derde huishoudens – zo’n 12.000, van wie 90 procent in een appartement woont –, een derde bedrijven en een derde gemengd. “Maar kijk je naar geleverde megawattuur, dan gaat 94 procent naar bedrijven, dankzij een paar hele grote industriële netten”, merkt Neyens op.

Moeizame opmars

Vlaanderen heeft enkele historische grote warmtenetten, bijvoorbeeld dat uit de jaren tachtig in Roeselare voor publieke gebouwen en appartementen. Universiteit Gent wordt bediend door een warmtenet via een warmtekrachtkoppeling, maar is in transitie naar aquathermie. Oostende heeft een sterk groeiend warmtenet met afvalverbranding als bron en appartementsbewoners als de belangrijkste afnemers.

“En Antwerpen combineert industriële netten in de haven met een groeiende lijn naar woningen. Maar de grootschalige projecten zijn op één hand te tellen. De meeste warmtenetten zijn klein, liggen vooral in nieuwbouwprojecten of op een schoolcampus of een zorginstelling. De sector staat feitelijk nog in de kinderschoenen en de ontwikkelingen gaan te traag”, betreurt Neyens.

Nood aan daadkracht

Het potentieel van warmtenetten in Vlaanderen is groot. Restwarmte uit de industrie kan tussen 13 en 52 procent van de vraag invullen, becijferde onderzoeksinstelling VITO in 2020. Ook ondiepe geothermie met gesloten bodemlussen biedt kansen, vooral bij nieuwbouw. Dat geldt niet zo sterk voor warmte-koudeopslag, omdat de Vlaamse ondergrond zich daar minder goed voor leent, aldus Neyens. Aquathermie, namelijk energie uit rioolwater, oppervlaktewater of drinkwater, noemt hij veelbelovend.

“Die kansen worden onder meer verkend in een gezamenlijk project met Nederlandse partners. Zonnewarmte is in principe ook een aantrekkelijke bron. Maar in Vlaanderen is daar weinig animo voor vanwege de beperkte ruimte en de hoge kosten. Nochtans er zijn nauwelijks technische knelpunten, de struikelblokken bevinden zich vooral op financieel en organisatorisch vlak. Alles begint dan ook met een gedegen lokaal warmteplan. Dat is verplicht voor Vlaamse steden met meer dan 45.000 inwoners. Dat zijn er twintig. Ze hebben dat inmiddels bijna allemaal opgesteld, maar de implementatie laat echter nog op zich wachten”, aldus Neyens.

Warmtepomp vs warmtenet

Een warmtenet is een collectief systeem. Kan dat de concurrentie aan met de individuele warmtepomp? Neyens stelt dat warmtenetten vooral rendabel zijn op plekken met veel verbruikers op een kleine oppervlakte: de dichtbebouwde kernen van steden en kleinere gemeenten. De warmtepomp wint het doorgaans in buitenwijken en het platteland. Tegelijkertijd wijst hij op netcongestie, een opkomend probleem in Vlaanderen.

“Schakelt heel de straat tegelijk over op een warmtepomp, dan trekt dat zwaar op het elektriciteitsnet. Bovendien loop je met al die buitenunits het risico op geluidsoverlast. Met een warmtenet heb je deze issues niet. Een andere oplossing is een centrale warmtepomp plaatsen, op middelhoge temperatuur. Die is voor de netbeheerder ook veel makkelijker in te passen”, stipt Neyens aan.

Groot contrast met Nederland

Een warmtenet aanleggen kost veel en is niet per definitie rendabel. De grootste uitdaging bij het realiseren van projecten is dan ook financiering, vertelt Neyens. De Vlaamse Call Groene Warmte staat dit jaar zes weken open. In de ronde van 2025 was dat twee weken. Van de beschikbare 21 miljoen euro, ging 15 miljoen naar vier warmtenetprojecten.

“Het budget is dus klein, een peulschil als je bijvoorbeeld naar Nederland kijkt. Daar zijn in één subsidieronde honderden miljoenen euro’s beschikbaar, een half jaar lang.” Hij noemt ook de prijsvergelijking met aardgas een obstakel. Vlaanderen hanteert het niet-meer-dan-anders-principe. Warmte uit een warmtenet moet goedkoper zijn dan fossiel, en dat is geen gegeven met de huidige gastarieven. “Het is dan ook goed nieuws dat Antwerpen inmiddels een eerlijkere maatstaf hanteert, namelijk de prijs afzetten tegen de lucht-waterwarmtepomp”, zegt Neyens.

Cherry picking

Naast de financiering noemt Neyens de organisatie van projecten een forse uitdaging. Commerciële partijen gaan voor de echt rendabele projecten, vooral in nieuwbouw. Gemeenten willen het ook zelf oppakken, maar weten niet altijd hoe. Neyens wijst op Kortrijk, dat samen met private partners een gemeentelijk warmtebedrijf opzette, als een van de positieve voorbeelden.

“Wij zien veel potentieel in zo’n publiek-privaat model, zeker met het oog op de bestaande bouw, waar de complexiteit groot is. België kent weinig seriematige woningbouw. De mogelijkheden moeten per huishouden worden bekeken. Bovendien ligt de ondergrond vaak chaotisch vol leidingen. In Leuven loopt nu een project waarbij het opnieuw aanleggen van de straat en riolering samenvalt met de bouw van een warmtenet. Ook zo’n integrale aanpak willen we vaker zien.”

Geslaagde inhaalbeweging Wallonië

In welke mate zit politieke wil de uitrol van warmtenetten in de weg? Dat is het probleem niet, constateert Neyens. Zo noemen het Vlaams regeerakkoord en de beleidsbrief energie warmtenetten een prioriteit. De budgetten zijn echter veruit onvoldoende. Hij wijst daarbij ook op de verschillen tussen de gewesten: Wallonië heeft een eigen subsidie en heeft Vlaanderen enigszins bijgebeend, met in totaal 29 miljoen euro voor twaalf projecten, vooral bodemlussen en grotere netten in Charleroi en Luik. Brussel komt trager op gang, met nog maar twee projecten.

Gecoördineerde transitie

Er moet dus in heel België boter bij de vis komen, benadrukt Neyens. “Anders lukt het niet.” Warmtenetwerk Vlaanderen wacht daar echter niet op. Er wordt gewerkt aan verandering van onderuit, bijvoorbeeld binnen het project Five Fossil Free Districts van de Coalitie Weerbare Wijken. Dat staat in het teken van vijf pilootwijken in Brugge, Leuven, Mechelen, Mortsel en Oostende, waar warmtenetten worden uitgerold samen met het aanpakken van straten en riolering en energierenovatie.

“De lessen die we leren worden ook met beleidsmakers gedeeld. Bovendien moet het uitrollen van warmtenetten op termijn aan uitfasering van aardgas worden gekoppeld. Het is van groot belang dat dit op de juiste manier gebeurt. Gas uitfaseren en dan maar zien wat er op ons afkomt is onwenselijk. Eerst een lokaal warmteplan of een warmteclusteranalyse in elke gemeente, om zones af te bakenen, dan een uitvoeringsplan en pas dan het aardgasnet afbouwen. Dat is de goede volgorde. Het moet planmatig en daarbij is de rol van gemeenten cruciaal”, concludeert Neyens.