Energiedelen komt nauwelijks van de grond: ‘Deelnemen is duurder dan niet deelnemen’

Terug
21.05.2026 Hoofdartikel
Van de 365-redactie
Energiedelen komt nauwelijks van de grond: ‘Deelnemen is duurder dan niet deelnemen’

De Belgische overheid rolt de rode loper niet uit voor energiecoöperaties, aldus Freddy van Santfoort van Noordlicht. Ze moeten het op eigen kracht doen. Toch hebben ze een belangrijke positie veroverd in de Belgische energietransitie. Voor energiegemeenschappen die het delen van energie mogelijk maken, zijn de kaarten anders geschud. “Die komen slechts met mondjesmaat van de grond. Commerciële energieleveranciers hebben er geen zin in. Actie is dus een noodzaak.”

Freddy van Santfoort

In 2019 richtte Freddy van Santfoort als voorvechter van een betere leefomgeving, samen met dorpsgenoten uit Grimbergen, de energiecoöperatie Noordlicht op. Daarmee vulden ze, met een werkgebied van twaalf gemeenten, een witte vlek in de Vlaamse energiecoöperaties.

Pioniersrol

Hoe belangrijk zijn die energiecoöperaties nu eigenlijk voor de Belgische energietransitie? Van Santfoort grijpt terug naar het prille begin, ruim dertig jaar geleden. Aan een keukentafel in Rotselaar werd Ecopower opgericht door een groep mensen, die zelf stroom wilden produceren met een oude watermolen en die vervolgens met de lokale gemeenschap wilden delen.

“Uiteindelijk werd onder strikte voorwaarden een leveranciersvergunning verleend, waardoor een versnelling ontstond. Andere initiatieven volgden. Dat mondde uit in een stevige, gewestdekkende maatschappelijke beweging, die werkt aan een democratisch, eerlijk en duurzaam energiesysteem”, schetst Van Santfoort.

307 gigawattuur

Noordlicht is aangesloten bij REScoop Vlaanderen. Deze federatie van energiecoöperaties telt inmiddels twintig leden, waaronder zelfs één uit het Brusselse Gewest. REScoop Wallonië vertegenwoordigt nog eens evenveel energiecoöperaties.
“Samen realiseren we tal van projecten, vooral rond de ontwikkeling van wind- en zonne-energie, maar ook elektrische deelmobiliteit, energiebesparing en renovatie”, aldus Van Santfoort.

Vorig jaar bracht REScoop Vlaanderen de Monitor Burgerenergie 2024 uit. De aangesloten energiecoöperaties telden zo’n 100.000 leden. Ze produceerden jaarlijks ongeveer 307 gigawattuur groene stroom. Dat jaar investeerden ze gezamenlijk zo’n 36,5 miljoen euro: 61 procent in zonne-energie, 21 procent in windenergie, de rest in andere projecten, bijvoorbeeld gericht op flexibiliteit en warmtenetten. In de pijplijn zitten nog eens tientallen megawattpiek aan hernieuwbare energieprojecten.

Zoektocht naar nieuw participanten

“Ongeveer 250.000 Vlamingen (ongeveer 4 procent van de bevolking) gebruiken coöperatieve groene stroom. In Wallonië is de ordegrootte identiek. Velen investeerden hun spaarcenten in onze projecten. Een actuele uitdaging is nieuwe mensen aantrekken. Er is meer individualisme, minder oog voor de gemeenschap. Maar positief is de toenemende samenwerking met overheidsdiensten, bijvoorbeeld VEKA, VVSG en ABB, en met middenveldorganisaties, zoals Bond Beter Leefmilieu, Reset Vlaanderen en Saaamo, die in dit kader ook naar oplossingen zoeken.”

Graag duw in de rug van overheid

Ziet de overheid de meerwaarde van energiecoöperaties voldoende? Van Santfoort spreekt eerder over een gedoogbeleid dan echte ondersteuning. Een rode loper wordt volgens hem alleszins niet uitgerold. “Ook dat past in de veranderende tijdsgeest. Burgers worden steeds meer geacht alles zelf te regelen. Een eigen positie innemen en een kritische houding worden alsmaar minder gewaardeerd. Veel subsidies worden afgebouwd of geschrapt. Energiecoöperaties moeten al geruime tijd vooral op eigen middelen draaien. En wat energiegemeenschappen betreft, dat dossier frustreert me steeds meer.”

Twee types energiegemeenschappen

Europa verplicht lidstaten het lokaal opwekken, delen en beheren van energie mogelijk te maken via energiegemeenschappen. We onderscheiden twee soorten: enerzijds zijn er de hernieuwbare-energiegemeenschappen (HEG), waarbij lokale besturen en kmo’s een centrale rol spelen. Anderzijds kennen we de energiegemeenschappen van burgers (EGB), waarin inwoners zelf aan het roer staan. Het doel is de transitie naar een duurzame, meer democratische energiemarkt versnellen en de energiearmoede aanpakken.

“Dat loopt echter niet zoals gehoopt. Energiedelen, gratis of via peer-to-peerverkoop, is in essentie een administratieve oefening. Partij A deelt zijn overschot met partij B. De opwek en het verbruik moeten dan wel op hetzelfde moment plaatsvinden. Daarvoor is een complexe softwarematige verrekening nodig op basis van kwartierdata door de netbeheerder en energieleveranciers. Dit kost tijd en geld en leidt bovendien tot hogere onbalanskosten. Die kosten worden doorgerekend aan partijen A en B”, verduidelijkt Van Santfoort.

Administratiekosten wegen door

Energiedelen werd in Vlaanderen stap voor stap ingevoerd. Dat startte begin 2022 met appartementen, onder strikte voorwaarden. Enkele maanden later werden die versoepeld en werd de peer-to-peerverkoop tussen particulieren mogelijk gemaakt. Een half jaar daarna kwamen ook energiegemeenschappen erbij. Het grote probleem is volgens Van Santfoort dat energiedelen geld zou moeten opleveren, maar dat doet het niet.

Sinds eind 2022 brachten energieleveranciers administratieve kosten in rekening bij energiedelers. Het bedrag ligt gemiddeld op 109 euro per jaar per deelnemer. Dat is belemmerend veel, aldus Van Santfoort. Daarnaast geldt dat wie een energiegemeenschap wil oprichten, die moet registreren bij de Vlaamse Nutsregulator. Ook dat proces verloopt volgens hem niet probleemloos.

Onvoldoende toezicht

“Je hoeft niet veel gegevens aan te leveren: enkel de naam, de geplande activiteiten, het aantal en het type deelnemers, de zeggenschapsstructuur, … Maar daarop is nauwelijks controle. De vraag of alles correct is ingevuld, wat de motivatie is en of het project binnen de regels past, wordt slechts beperkt gecontroleerd. Zo kunnen ook partijen die niet aan de voorwaarden voldoen, zich relatief eenvoudig aanmelden. Het is een rotzooitje. Verschillende organisaties hebben dit al meermaals aangekaart, zonder merkbaar resultaat. In het Brussels Gewest is het toezicht op de registratie wel beter geregeld”, betreurt Van Santfoort.

Goed bedoeld, maar…

Het Agentschap Binnenlands Bestuur (ABB) richtte in 2022 de technische assistentiehub voor energiegemeenschappen op als onderdeel van het Vlaamse beleid rond het Lokaal Energie- en Klimaatpact (LEKP). De primaire doelgroep waren de lokale overheden. Ook dit initiatief levert volgens Van Santfoort niet op wat zou moeten.

Projecten starten vaak vanuit de beste bedoelingen. Niet alleen de stroom van pv-installaties op gemeentelijke gebouwen delen binnen het eigen patrimonium, maar ook met burgers, al dan niet in energiearmoede. In de praktijk valt dat laatste tijdens de uitvoering echter vaak weg, omdat het financieel moeilijk haalbaar blijkt, vooral door de bijkomende leverancierskosten.

Kosten anders verrekenen

Energiedelen faciliteren kost energieleveranciers geld. Dat moet gerecupereerd worden, erkent Van Santfoort. Tegelijkertijd spreekt hij over tegenwerking van commerciële partijen. “Die hebben er gewoonweg geen zin in. De kosten die op deelnemers worden verhaald, maken dat energiedelen duurder is dan dat niet doen.”

De vraag is wat er moet gebeuren om het tij te keren?
“Ik heb een eenvoudige berekening gemaakt: wat als we de kosten voor energiedelen socialiseren en dus samen dragen? Dan kost het consumenten een halve euro per jaar, een zeer beperkt bedrag. Dat lijkt me dus een haalbare oplossing, zeker gezien de meerwaarde van energiegemeenschappen voor de energietransitie en mensen die iedere cent kunnen gebruiken. Op dit moment gaat het allemaal veel te traag. Dat moet snel veranderen”, besluit Van Santfoort.