Lokaal warmtebeleid: de warmtetransitie begint in de straat

Terug
16.07.2026 Column
Nathalie Debast Directeur belangenbehartiging en communicatie bij VVSG
Lokaal warmtebeleid: de warmtetransitie begint in de straat

De energietransitie wordt vaak voorgesteld als een verhaal van windmolens, zonnepanelen en elektrische wagens. Maar een van de grootste opdrachten is minder zichtbaar: hoe verwarmen we onze woningen, scholen, zorgvoorzieningen, sporthallen en bedrijventerreinen zonder fossiele brandstoffen? Met name 80 procent van het energieverbruik (gas en elektriciteit) van een doorsnee gezin in Vlaanderen gaat naar ruimteverwarming en sanitair warm water.

Op bovenstaande vraag bestaat geen pasklaar of universeel antwoord. De warmtetransitie raakt aan betaalbaar wonen, woonkwaliteit, toekomstgericht ondernemen, de inrichting van de publieke ruimte en de toekomst van onze energie-infrastructuur. Ze is daarom bij uitstek een lokale opdracht, op maat van de straat.

Warmtebeleid speelt zich niet af op een abstract beleidsniveau. Het gaat over wijken waar de ene woning klaar is voor een warmtepomp, terwijl de andere eerst grondig moet worden gerenoveerd. Over stads- en dorpskernen waar kansen voor warmtenetten liggen. Over appartementsgebouwen waar eigenaars samen beslissingen moeten nemen. Over bedrijventerreinen waar restwarmte vandaag nog te vaak verloren gaat. En over straten waar rioleringswerken, nutsleidingen, ontharding en toekomstige warmte-infrastructuur samen moeten worden ingepland.

Duidelijk beleid dat houvast biedt op langere termijn is daarbij cruciaal. Wie vandaag een verwarmingsketel moet vervangen, wil weten welke keuze toekomstbestendig is. Wie renoveert, wil weten welke stappen eerst komen. Wie in energiearmoede leeft, mag niet de dupe worden van een transitie die op papier logisch is, maar in de praktijk financieel onhaalbaar blijft.

Betaalbaarheid en sociale rechtvaardigheid moeten daarom centraal staan. Gemeenten en Energiehuizen zien elke dag waar de noden het grootst zijn: bij gezinnen in slecht geïsoleerde woningen, bij huurders die weinig vat hebben op investeringskeuzes, bij mede-eigenaars in complexe gebouwen en bij inwoners die hun energiefactuur nu al nauwelijks kunnen betalen. Een goed warmtebeleid vertrekt ook van die realiteit.

De Energiehuizen zijn daarin onmisbaar. Zij vertalen de warmtetransitie naar advies aan de keukentafel. Ze ontzorgen inwoners, begeleiden hen naar premies en helpen renovatiestappen plannen. Daarmee vormen ze een belangrijke schakel tussen lokale beleidskeuzes en de concrete vragen van inwoners.

In Nederland is de wijkgerichte aanpak al langer expliciet gemaakt. Op basis van de ‘Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie’ (Wgiw) maken gemeenten een warmteprogramma op. Via de zogenaamde aanwijsbevoegdheid kunnen ze per wijk aangeven hoe en binnen welke termijn de omslag naar aardgasvrije en duurzame warmte zal verlopen. Lokale besturen kunnen er bovendien terecht bij het Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie. Dat ondersteunt gemeenten in hun regierol en fungeert als centraal loket, met onder meer handreikingen, kennisproducten, een helpdesk, accounthouders, regiocoördinatoren, leerkringen en netwerkbijeenkomsten.

Vlaanderen hoeft natuurlijk niet zomaar het Nederlandse model te kopiëren. Maar het toont wel dat lokale besturen instrumenten én ondersteuning nodig hebben die hen in staat stellen om meer te doen dan plannen op te stellen. Want ook in Vlaanderen hebben lokale besturen een sleutelrol. Zij kennen hun grondgebied, hun inwoners, hun patrimonium en hun lokale partners. Bij de opmaak van een lokaal warmteplan verbinden ze warmtebeleid met ruimtelijke planning, renovatiebeleid, sociaal beleid, stadsontwikkeling, mobiliteit en openbaar domein. Een lokaal warmteplan geeft richting: welke duurzame warmteoplossing is waar logisch, met welke partners en met welke ondersteuning voor inwoners?

Maar een lokaal warmteplan moet meer zijn dan een mooie zoneringskaart of een verplicht af te vinken beleidsdocument. Het moet leiden tot uitvoering. Dat vraagt goede data, gespecialiseerde personeelscapaciteit en juridische, financiële en organisatorische hefbomen.

Vandaag zitten daar nog te veel zwakke plekken. Lokale besturen worden aangesproken op hun regierol, maar botsen op versnipperde bevoegdheden, tijdelijke projectmiddelen, onduidelijke regelgeving en energieprijzen die niet altijd de juiste keuzes stimuleren. Zolang fossiele warmte financieel aantrekkelijker blijft dan duurzame alternatieven, wordt de lokale warmtetransitie afgeremd. Zolang er geen duidelijke kalender is voor de uitfasering van fossiele brandstoffen, blijven burgers, installateurs, ontwikkelaars en netbeheerders twijfelen. En zolang de Vlaamse financiering vooral via losse projectoproepen in wedstrijdformule verloopt, blijft structurele slagkracht moeilijk.

Elke straat die wordt opengelegd, elke wijk die wordt vernieuwd, elk publiek gebouw dat wordt gerenoveerd en elke woning die vandaag een nieuwe verwarmingsinstallatie krijgt, is een keuze voor decennia. Net daarom is uitstel geen optie meer.

De warmtetransitie begint lokaal. Lokale besturen verwachten van de Vlaamse Overheid dan ook de duidelijkheid, middelen en instrumenten om die opdracht samen met hun inwoners en bedrijven waar te maken.
 

* VVSG is de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten, een koepelorganisatie die de belangen van Vlaamse steden en gemeenten behartigt