België heeft geen tijd voor energiebeleid met de handrem erop

Terug
30.07.2026 Column
Hrvoje Medarac Hoofdonderzoeker Dutch New Energy Research
België heeft geen tijd voor energiebeleid met de handrem erop

België heeft nog maar enkele jaren om zijn energiedoelen voor 2030 waar te maken. Dat klinkt als voldoende tijd voor enkele nieuwe windparken, meer zonnepanelen en een verdere elektrificatie van gebouwen en vervoer. De cijfers uit de Belgische energiebalans laten echter een veel ongemakkelijkere werkelijkheid zien: de energietransitie moet fors versnellen.

In 2024 bedroeg het Belgische primaire energieverbruik ongeveer 48,1 miljoen ton olie-equivalent, oftewel Mtoe. Daarvan kwam 34,5 Mtoe uit fossiele brandstoffen. Dat is bijna 72 procent. Hernieuwbare energie was goed voor circa 5,4 Mtoe, terwijl kernenergie 7,5 Mtoe leverde. België is daarmee nog sterker afhankelijk van fossiele energie dan de Europese Unie als geheel, waar fossiele brandstoffen ongeveer 66 procent van de primaire energiebalans uitmaken.

Tegelijk ligt de Belgische doelstelling voor hernieuwbare energie dicht bij het Europese ambitieniveau. Het Belgische NECP mikt in 2030 op 39 procent hernieuwbare energie, tegenover 42,5 procent voor de EU. In de aangeleverde energiebalans komt het Belgische doel neer op ongeveer 12,9 Mtoe hernieuwbare energie. Vergeleken met de 5,4 Mtoe uit 2024 moet het volume dus met circa 7,5 Mtoe toenemen. Dat betekent meer dan een verdubbeling in zes jaar tijd.

NECP Doelstelling België
NECP Doelstelling België

​Ter vergelijking: de EU moet volgens dezelfde berekening van 269,7 naar 367,4 Mtoe hernieuwbare energie. Dat is een stijging van ongeveer 36 procent. België staat voor een groei van bijna 140 procent. De Belgische opdracht is relatief gezien dus bijna vier keer zo groot.

Daar komt het energie-efficiëntiedoel nog bovenop. Het NECP gaat uit van 11,7 procent energiebesparing. De Belgische balans vertaalt dat naar bijna 3,9 Mtoe in 2030. Dat vraagt niet alleen om zuinigere apparaten of beter geïsoleerde woningen, maar om structurele keuzes: renovaties op grotere schaal, elektrificatie van warmte en vervoer en een industrie die minder energie verspilt.

Kernenergie kan helpen om de CO₂-uitstoot van de elektriciteitsproductie te beperken, maar lost het hernieuwbare-energiedoel niet op. Zonne- en windenergie blijven daarom onmisbaar. Netverzwaring, flexibiliteit, batterijen en vraagsturing zijn geen aanvullende luxeprojecten, maar voorwaarden om nieuwe productie daadwerkelijk in het energiesysteem op te nemen.

De grootste bedreiging is ondertussen niet technologisch. De technieken bestaan en worden steeds goedkoper. Het echte risico is beleidsmatige onzekerheid: wisselende subsidies, trage vergunningverlening, onduidelijke nettarieven en discussies die investeringsbeslissingen jarenlang uitstellen.

Wie naar de cijfers kijkt, kan maar één conclusie trekken. België heeft geen tijd meer voor een energietransitie met de handrem erop. Iedere nieuwe beleidsmaatregel moet daarom aan één eenvoudige vraag worden getoetst: brengt deze de extra 7,5 Mtoe hernieuwbare energie en bijna 3,9 Mtoe energiebesparing dichterbij, of schuift hij de rekening opnieuw door?